Willem van Oranje

Tekst van de oorkonde die prins Willem I van Oranje na klachten van [doopsgezinde] ingezetenen van Middelburg aan hun verleende, om vrijstelling te verkrijgen van het afleggen van de eed op het burgerschap die tegen tegen hun “consciëntie” [geweten] was, en om hen in geloofszaken en het uitoefenen van hun beroepen met rust te laten; dit bevel voor te leggen aan de magistraat van de stad.


Also van weghen zekere ingesetenen deser stadt Middelburg Sijne Excellentie supplicatie gepresenteert
is geweest, daerby hun beclagende dat die Magistrate derselver stadt onlancx haere winckelen heeft doen sluyten ende consequentelicken huere neeringe verboden – ’t welck nochtans henlieden een eenich middel is om hun familiën te onderhouden – procederende ’t selve verbodt ter cause dat sy den
doen, gewoonlicken eedt souden ˅ als andere noch nyet gedaen hebben. Remonstrerende te meer de voorscrevenen ingesetenen hoe dat zy nu geduerende sekere lange jaeren – sonder den voorscreven eedt oyt gedaen te hebben – alle burgerlycke lasten, contributiën, ende schattingen nevens andere burgeren ende inwoonderen derselver stede gewillichlicken gedragen hebben, sonder oyt in eenige faulte bevonden te syn; ende daeromme oick alsnu noch wel behoorden over sulcx ongemolesteert te wesen, aengesien zy daer- deur anders nyet en begeren dan in vryheyt haerder consciëntie te leven, ten respecte van welcke dese tegenwoirdige oirloge tegens den coninck van Spangiën by syn ondersaten aengenomen ende allen ceremoniën geresisteert wordt, daer jegens strydende, waerinne nu soo verre deur Godts hulpe gecomen is dat de voorscreven vryheyt van consciëntie is geconserveert ende daeromme onbehoirlicken syn soude den supplianten die aff te nemen; die toch deselve met schattingen, contributiën ende andere lasten te dragen nyet sonder groot pericule haers lyffs ende leven hebben helpen winnen.Welcken volgende sy requeste aen den voorscreven Magistrat gepresenteert hebbende voor appostille gerapporteert hadden haer te moeten reguleren naer die politie ende ordinantie der voorscreven stede, waermede den voorscreven Magistrat schynt te pooghen deur den eedt nyet alleene hun supplianten binnen Middelburch residerende, maer consequentelick ontallicke andere in Hollandt ende Zeelant, hun onder Syn Excellentie protectie – volgende syne placcate – begeven hebbende, uuyten lande met huysvrouwen ende kinderen, tot huerlieder grondelicke verderffenisse te verdrijven.
Deur ‘t welck nyemant eenich prouffyt can becommen, dan maer alle dese landen groote merckelicke schade, overmits deurdien alomme de neeringe grootelick soude comen te verminderen.
Versouckende ende oitmoedelicke derhalven Syn Excellentie, biddende die saeke met compassie insiende daerinne behoirlicken te versien ende insonderheyt aengesien dat die voorscreven supplianten presenteren heuren “ja” in plaetse van eede te doen strecken ende d’overtreders van dien als eedtbrekers gestraft te worden. Soo ees ’t dat by Syn Excellentie ’t gene voorscreven is overgemerckt ende daerop hebbende wel rypelicken doen delibereren; heeft deur voorgaende advisen van den Gouvernuer ende Raeden van Zeelandt geordonneert ende gestatueert, ordonneert ende statueert by desen dat die voorscrevenen supplianten sullen mogen by den Magistrat der voorscreven stede bestaen met huerlieder “ja” in plaetse van eede by henlieden gepresenteert, mits dat d’overtreders van dien als eedtbrekers ende menedighe sullen gestraft worden. Bevelende ende belastende Syn Excellentie den Magistrat van Middelburch ende allen anderen dien dese aengaen mogen, den supplianten aengaende den eedt ende anderssins tegens huerlieder consciëntie voirder nyet te beswaren, maer laeten huerlieder winkelen openen ende neeringe genyeten, gelyck zy van te vooren gedaen hebben. Alles by provisie ende tot ander stondt met meerder tranquilliteyt van saeken met rype deliberatie daerop geleth synde, geordonneert sal worden naer behooren. Aldus gedaen onder Syn Excellentie name ende seghel in der stede Middelburch opte XXVI en dach January anno XVc seven ende tzeventich.

Guillaume de Nassau
Op de rugzijde staat: By mynen Genadigen Heere den Prince
De Baudimont

[transcript d.d. augustus 2017 (volgens de richtlijnen voor het uitgeven van historische bescheiden van het Nederlands Historisch Genootschap en de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, 6de herziene druk, ’s-Gravenhage 1988) Het origineel d.d. 26 januari 1577 wordt bewaard in het
Zeeuws Archief te Middelburg: toegang nr. 53 Archief Doopsgezinde gemeente Middelburg, inventarisnr. 10, met scan]

Rijksmuseum Amsterdam, 48x33 cm.
geschilderd portret (ca. 1579) 
van prins Willem I van Oranje (1533-1584) 
van de hand van de Antwerpse schilder 
Adriaen Thomasz. Key (ca. 1545-na 1589) 
URL: http://hdl.handle.net./10934/RM0001.
Collect.9542

Hans de Ries (1553-1638)

Hans de Ries (ook de Rys, de Reis, de Rycke en le Riche; de laatste zijn oorspronkelijke officiële naam?), geboren op 13 december 1553 in Antwerpen – uit (nog) onbekende rooms-katholieke (Franstaige?) ouders– en gestorven op 14 september 1638 in Alkmaar, was een belangrijke voorman/leider van de Nederlandse doopsgezinden. Hoewel in zijn biografie, het “Kort-Verhael van het Leven ende Daden van Hans de Ries Oudtste ende Leraer der Waterlantsche-Gemeenten” (De Rijp 1644), weinig en vaag verteld wordt over zijn vroege jaren, is uit verder onderzoek van Professor Guido Marnef (Antwerpen), uit regesten van Mr. J.H. de Stoppelaar (1883) op het in mei 1940 verloren gegane Oud Archief der Stad Middelburg 1217-1581 en de door Hans de Ries zelf uitgegeven Historie der martelaren ofte waerachtige getuyghen Jesu Christi, Haarlem 1615, veel meer duidelijk geworden over zijn vroegste doen en laten.
Oorspronkelijk, toen Hans besefte het niet eens te zijn met de rooms-katholieke leer waarin hij was opgevoed, werd hij lid van de calvinistische/gereformeerde gemeente in zijn geboortestad. De Antwerpse historicus Guido Marnef vertelt over die woelige periode met zorgvuldige en uitgebreide bronvermelding:
Vanaf de jaren vijftig van de zestiende eeuw bestonden in een aantal Zuidnederlandse steden gereformeerde gemeenten die zich clandestien organiseerden. Deze zogenaamde “kruiskerken” waren wel afgebakende eenheden. Zowel de vervolging als de interne orde en leer dreven tot een stricte organisatie. De gemeenteleiders maakten te Antwerpen een onderscheid tussen “de kinderen van God” en “de kinderen van de Wereld”, waarbij de eerste categorie bestond uit diegenen die belijdenis van hun geloof aflegden en zich onderwierpen aan de kerkelijke discipline. De door Guy de Brès opgestelde geloofsbelijdenis (1561) rekende de kerkelijke tucht overigens tot de wezenskenmerken van de ware Kerk. Naast de “reyne Predicatie des Evangelii” en de “reyne bedieninghe der Sacramenten” [doop en avondmaal] was het noodzakelijk “dat de Kerkelicke tucht gebruyckt wert om de sonde te straffen”. Niet alleen het ondergrondse karakter, maar ook de doperse aanwezigheid dwong de leiders van de kruiskerken de grenzen scherper te trekken. Het door Menno Simons vorm gegeven anabaptisme [beter: dopers gemeente-zijn, JZ] vormde van bij de aanvang een geduchte concurrent voor het calvinisme. De doperse uitdaging noopte tot een strikte toepassing van de kerkelijke discipline. Te Antwerpen was na het “Wonderjaar (1566-1567) steeds een Nederlandstalige en Franstalige calvinistische gemeente blijven functioneren en ook de dopersen wisten de verscherpte repressie tijdens de landvoogdij van Alva te trotseren. De leden van de calvinistische gemeente hadden zowel te kampen met de lokroep van de heersende [rooms-]katholieke kerk als met de doperse competitie. [in Marnefs tekst is het in de beschreven periode nog niet bestaande begrip doopsgezind(en) vervangen door dopers(en) [JZ])

De strenge toepassing van de kerkelijk tucht leidde in 1571 tot excommunicatie (verbanning uit de gemeente) van een van de leden die door een ouderling en een diaken was beschuldigd van kerkdiefstal en “afgoderie”. Door die feiten was de calvinistische/gereformeerde gemeente “in lastringhe ghecommen bij vele dooperen die hiervan wisten, ende bij vele papisten”. Het streven van de Antwerpse kerkenraad was fundamenteel gericht op verzoening; zelfs voor iemand die was uitgesloten van het avondmaal en geëxcommuniseerd, bleef de deur van de Gemeente van Christus op een kier staan. Het is duidelijk dat de rooms-katholieke en doperse concurrentie tot handhaving van de hoog gelegde lat dwong.
Van de Nederlandstalige gereformeerde gemeente was Hans de Ries lid geworden, toen hij tot het besef was gekomen dat hij zich niet meer kon verenigen met de rooms-katholieke leer én haar gezamenlijk met de wereldlijke overheid uitgeoefende repressie tegen andersgelovigen. In 1575 fungeerden Albrecht Verspeck en Hans de Ries respectievelijk als ouderling en diaken in deze gemeente en er ontstond opniieuw een conflict. Beiden beschouwden zich predikanten die met hun aanhang afzonderlijke vergaderingen hielden. Hun jeugdige eigenzinniheid [Marnef] leidde er toe dat zij door de Nederlandstalige kerkenraad uit hun ambt werden gezet. De Waals-gereformeerde (Franstalige) kerkenraad probeerde tot drie keer toe de partijen bij elkaar te brengen.
[Marnef] Beide partijen zouden voor de geuite beledigingen en beschuldigingen vergiffenis vragen en zich verzoenen ten overstaan van de gehele kerk. Verspeck en De Ries hadden bovendien beloofd met betrekking tot de leerstellige geschillen een akkoord na te streven met de kerkenraad. Lukte dat niet, dan zouden ze zich onderwerpen aan het oordeel van een classicale of provinciale vergadering. Bij een derde samenkomst bleken de twee afgezette ambtsdragers echter volledig van mening veranderd te zijn. Zij bleven bij de ingenomen standpunten en waren tot geen enkele toegeving bereid. Het was in die patstelling dat zowel de Nederlandstalige als de Waalse kerkenraad van Antwerpen besloten het advies in te winnen van de Nederlandse kerk in Londen. De briefwisseling die daaruit voortvloeide, laat ons toe het conflict vrij nauwkeurig te reconstrueren. Schematisch gesteld ging het daarbij on drie grote discussiepunten, met name over 1. de Christelijke vrijheid,
2. de kerkelijke discipline en
3. de houding tegenover de dopersen.

De opvattingen van Albrecht Verspeck en Hans de Ries tegenover die van de kerkenraden worden uitgebreid aan de orde gesteld in Guido Marnefs publicatie, waarbij we moeten bedenken dat die in de verklaring en de brieven worden weergegeven vanuit de gereformeerde optiek.
[Marnef] In die context verbaast het dan ook niet dat Verspeck en De Ries de predikanten van de Nederlandse kerk belasterden “als logenaers ende leeraers die den ruimen wech leeren”, een typering die duidelijk herinnert aan de geschriften van Menno Simons.
De Londense kerkenraad verwonderde er zich trouwens over dat de twee scheurmakers hun geloofsgenoten “in middelmatighe dyngen zo rigoreuslicken” oordeelden, terwijl ze ketters zo zacht en barmhartig behandelden.
Verspeck en De Ries bleven zich opwerpen als predikanten. Zij hielden met hun aanhangers verscheidene verzamelingen “die sy niet en willen verlaeten maer dagelycs noch continueren ende soecken daertoe noch te verwecken ende te beroepen verscheyden broeders ende susters (4 november 1575)
De provinciale synode van de “kerken onder het kruis” in de Nederlanden te Antwerpen op 2 februari 1576 besprak het conflict onder de Antwerpse gereformeerden uitvoerig, maar ondertussen was de scheuring in hun gemeenten een feit.

In latere doopsgezinde beschrijvingen van het conflict komt vooral naar voren dat de gewoonte van gereformeerden om gewapend naar hun godsdienstige bijeenkomsten te gaan (en daarnaast ook hun streng-dogmatische geest) grote ontzetting teweeg bracht bij Hans de Ries. Toch aarzelde hij om zich aan te sluiten bij de mennoniet-doperse gemeenschap in Antwerpen die “een volck was, met bannen en mijden en ander harde dryvinghen besmet”. Hij was in Antwerpen kennelijk ook bekend geraakt met de andere doperse gemeente van de Waterlandse stroming; de wereldstad herbergde velerlei godsdienstige stromingen en sectarische groeperingen. De Ries vond de ondogmatische geest van de Waterlanders duidelijk meer in overeensctemming met zijn overtuiging. Daar speelde bij de handhaving van de discipline in de kerkelijke gemeente onmiskenbaar het fundamentele verschil mee dat de gereformeerden die hiërarchisch organiseerden – door predikanten en ouderlingen/kerkenraden, classes en synoden – terwijl bij de dopers werd uitgegaan van het “gezag” en de taak van de gehele ledenvergadering van de (plaatselijke) gemeente.
Na zijn negatieve ervaringen bij de Antwerpse gereformeerden en verdere kennismaking met de Waterlandse dopers, reisde Hans de Ries naar De Rijp in Noord-Holland; het kerngebied van de Waterlands-doperse richting. Daar werd hij omstreeks begin 1576 in de Waterlandse gemeente op zijn geloofsbelijdenis gedoopt door Simon Michielsz, de oudste/leraar/vermaner daar. Bleef bij de gereformeerden zijn rooms-katholieke (kinder)doop geldig, de dopers kenden – op bijbelse gronden; zoals Jezus! – alleen de gelovigendoop. Ook Albrecht Verspeck werd in dat jaar lid en voorganger bij de Waterlandse gemeente in Antwerpen.
[Marnef] Nog in hetzelfde jaar bevonden zij zich allebei in de streek aan de Beneden-Rijn waar zij nieuwe aanhangers trachtten te werven. Zo werd op de vergadering van de [gereformeerde] classis Wezel op 8 oktober 1576 gewaarschuwd tegen Hans de Ries en Albrecht Verspeck. De verzamelde kerkleiders vonden het nodig “dat jeder gemeynte gewaerschout sal worden, sich voer hun als voer afgesneden schuermaeckers te wachten”. Rond dezelfde tijd stelden de dienaers van Maastricht op de vergadering van de classis Jülich [Gulick] het probleem van huwelijksinzegeningen, voltrokken door De Ries en Verspeck, aan de orde. Beide mannen waren bovendien betrokken in disputaties; Verspeck in Keulen en Wezel en De Ries in Aken.

Spoedig keerde Hans terug naar Antwerpen, waar inmiddels de schout van de stad op 6 mei 1576 een inval had gedaan in de woning van Verspeck. Diens knecht, de 21-jarige Hans Bret, werd daarbij gevangen genomen. Die was een paar maanden eerder gedoopt in de Waterlands-doperse gemeente in Antwerpen. Zijn moeder, de weduwe Elisabeth Akers van der Does, had zich aanvankelijk “gevoecht met haren kinderkens totten ghehoor der duytscher Calvinistischer kercken”, maar was later overgegaan naar de Waterlands-doperse gemeente in de stad, wellicht onder invloed van Verspeck en/of De Ries.
Namens de inquisitie trad de kanunnik Silvester Pardo op als geestelijk inquisiteur in het proces tegen Hans Bret. Hij rekende hem niet tot “Menno’s volk”, maar tot de Engelse puriteinen, kennelijk omdat Hans’ vader, Thomas Bret, een Engelsman was. Hans ontkende dat en zei dat hij die benaming nu voor de eerste keer hoorde. Hij schreef vanuit de gevangenis verscheidene uitgebreide “Christelijke Seyntbrieven” die Hans de Ries later in extenso opnam in zijn Historie der martelaren ofte waerachtighe getuygen Jesu Christi (1615) en die Thieleman van Braght in zijn heruitgave van dit boek, Het Boedig tooneel of Martelaers Spiegel der doops-gesinde of weereloose Christenen (1685) – geïllustreerd met een van de etsen van Jan Luyken (1649-1712) van de gruwelijke marteling van de jonge gevangene – opnam.
Op 4 januari 1577 stond Hans de Ries bij de brandstapel waarop zijn jeugdige vriend Hans Bret in Antwerpen vanwege zijn standvastigheid in geloof werd omgebracht. Hij raapte later uit de as het tongklemmetje op, waarmee de ongelukkige het spreken tot de samengestroomde menigte was belet. De Ries trouwde kort daarna met Hans’ moeder en vluchtte spoedig met haar uit het onveilige Antwerpen Zij werden echter in een naburig dorp achterhaald en gevangen genomen. Hans’ werkgever, een Italiaanse koopman in Antwerpen – De Ries was bij hem boekhouder en was daarom ook bekend als Hans Cassier – reed te paard achter hen aan en Hans en Elisabeth werden door tussenkomst van de grootmoedige katholiek “die hem in weerwil van hun geloofsverschil zeer waardeerde”, vrijgelaten. Die gaf hem zijn geldbeurs. “Neem dit en gebruik die als je in nood raakt”.

De Ries belandde op Walcheren, waar (na Den Briel op 1 april) de watergeuzen op 6 april de havenstad Veere innamen. Een paar dagen later werden deze geuzen door de inwoners van de stad Vlissingen ingehaald en de stad verklaarde zich als eerste stad zélf “voor de Prins”. Middelburg volgde pas op 9 februari 1574 na een maandenlang beleg door de prims en de overgave van de Spanjaarden onder Christoforo de Mondragón.
Hans de Ries en zijn vrouw kwamen na hun vlucht uit Antwerpen in de loop van 1577 aan op het geheel van de Spanjaarden bevrijde Zeeuwse eiland. Zij voegden zich bij de doperse gemeente van Vlissingen en omstreken die in die tijd samenkwam in de “speelhof” in West-Souburg van hun latere leraar/vermaner Abraham Adriaansz., koopman in de stad. Diens zwager was Hans Marinusz. van Oosten die op 9 februari 1569 – na uitdrukkelijke opdracht door koning Philips II door streng aandringen van landvoogdes Margaretha van Parma – met Hendrik Alewijnsz. en Gerrit Duynherder, na een jarenlange gevangenschap, op de markt voor het Middelburgse stadhuis samen op de brandstapel hun leven hadden gelaten “en hebben ’t geloof der eeuwig blijvende waerheyd met haer dood en bloed bevestigt, staende nu voor alle ware geloovige tot een baken om haer ongeveynst geloof na te volgen” [Hans de Ries 1615].

C.P. Bruinvis weet [overigens in een niet geheel juiste chronogie] te melden dat De Ries nog in hetzelfde jaar een opzienbarend dispuut had gehad met Johannes Gerobulus (1540-1606), een van de drie predikanten van de gereformeerde kerkgemeente van Vlissingen van 1573-1580. Als gevolg van dit dispuut werd De Ries met een twintigtal van zijn aanhangers 14 december 1577 door de Zeeuwse Staten ontboden om in Middelburg te verschijnen. Het leek hem niet geraden zonder meer aan de oproep gehoor te geven. De Ries ontving het volgende jaar een tweede oproep en schreef op 22 maart 1578 een brief aan de Gouverneur waarin hij enige voorwaarden stelde en een vrijgeleide vroeg. Die kreeg hij echter niet en hij werd – naar wordt gezegd op aandrang van gereformeerde predikanten – gearresteerd en in Middelburg gevangen gezet. De betreffende predikanten waren “niet bestand tegen zijne scherpzinnige redeneringen” [Bruinvis]. Op 7 april 1578 noteerde de Middelburgse stadssecretaris dat “Hans de Rijke, dienaar der gemeente Christi, die men noemt de Waterlanders of Franekers – alsnu gevangen op Gravensteen om de leer der goddelijke waarheid – ten verzoeke van den magistraat der stad Middelburg een belijdenis des geloofs en der leer op schrift had gesteld en overgeleverd”1. Nog in diezelfde maand werd volgens de stadssecretaris vastgelegd dat “Hans de Rijke, alias den Voetwasscher, schut en scherm binnen de stad werd ontzegd met last om binnen de vierentwintig uren uit de stad en hare jurisdictie te vertrekken”2; na overkomst van iemand uit Dordrecht “die de regeering van het onbillijke dezer handeling wist te overtuigen” [Bruinvis].
Later dat jaar was De Ries in Alkmaar waar hij op 22 september 1578 met vier andere Waterlandse leraren/vermaners een geloofsbelijdenis van 25 artikelen opstelde; de eerstbekende Nederlands doopsgezinde geloofsbelijdenis [gedrukt in de Doopsgezinde Bijdragen 1904, blz. 145-156]. Daarna reisde hij naar naar Emden (Noord-Duitsland) waar hij in april 1579 met een aantal leden uit verschillende doopsgezinde gemeenten en tot een onderlinge overeenstemming kwam. In Amsterdam werd in 1581 een vergadering gehouden met afgevaardigden uit veel Waterlands-doopsgezinde gemeenten. Aan de hiervoor genoemde Simon Michielsz, Jacob Jansz Schedemaker en Hans de Ries werd opgedragen een “Bekentenisse des geloofs” te schrijven en die te laten drukken.

De Ries was inmiddels bevriend geraakt met de schrijver/dichter Hendrick Laurensz. Spiegel (Amsterdam 1549-Alkmaar 1612) en diens vriend, de humanist Dirk Volkertsz. Coornhert (Amsterdam 1522-Gouda 1590), de grote ijveraar voor de tolerantie/verdraagzaamheid, die door W.J. Kühler (Geschiedenis der Nederlandsche Doopsgezinden in de zestiende Eeuw, Haarlem 1932-1950) de “Sebastian Franck van Holland” werd genoemd. Evenals Coornhert had De Ries niet veel op met de uiterlijke (zichtbare) kerk. Hij was spiritualist: hij vond dat gelovigen helemaal open moeten staan voor de Geest van God. Kerkelijke leerstellingen, regels, ambten, de sacramenten, de ban en de kerk zelf zijn van minder belang. Kennelijk al onder invloed van Coornhert legde De Ries zijn prediking neer (geschrokken?) na zijn Middelburgse gevangenschap in 1578. Maar dat was slechts voor korte tijd, want hij was spoedig weer in functie. Later werd hij wat “conservatiever”, hoewel hij heel zijn leven organisties en gezag van de gemeente en haar oudsten niet zo hoog schatte als de mennoniet-Friese en -Vlaamse richtingen deden. In de Waterlandse gemeenten werd de ban weinig toegepast, de mijding al helemaal niet en huwelijken met niet-leden werden niet onmogelijk gemaakt.

Van 1593-1598 was Hans de Ries oudste en leraar van de gemeente van de Waterlandse doopsgezinden in Emden, waar zijn tweede (?) vrouw kwam te overlijden. Vanaf 1599 werkte hij tot zijn dood in die functie bij de (Waterlands) doopsgezinde gemeente van Alkmaar en werd burger van de stad op 29 oktober 1604. Hij investeerde daar zijn vermogen grotendeels in haringbuizen, omdat hij de visserij voor het eerlijkste bedrijf hield [Bruinvis]. Ook daar hertrouwde hij met Guurtje Jansdr. die slechts weinige maanden voor hem op 3 juli 1638 overleed.

De invloed van Hans de Ries op de Nederlandse doopsgezinden was diepgaand, in het bijzonder op de Waterlandse stroming. Tot zijn einde bevorderde hij de belangen zijner geloofsgenoten, ijverende voor vrede en verdraagzaamheid, stichtende door zijne geschriften, liederen en steeds op prijs gestelde prediking en ook de geneeskunst uitoefenende [Bruinvis]. Een van zijn belangrijke geschriften uit de Zeeuwse periode – gedrukt achter zijn biografie Kort-Verhael van het Leven ende Daden van Hans de Ries, Oudtste ende Leraer der Waterlandsche-Gemeenten (De Rijp 1644) – was het
Tractaet By maniere van een Vaderlijcke onderwijsinge, verdeelt in 4. Capittelen.
1. Van het rechte gebruyck der Tongen.
2. Van de Gierigheyt.
3. Van ghetrouwe en onghetrouwe vrienden.
4. Van de Lijdtsaemheydt.

1. Mr. J.H. de Stoppelaar, Inventaris van het Oud Archief der stad Middelburg 1217-1581, Middelburg 1883, blz. 172, nr. 2747. Register: Register Kerckelycke saken, no. 11c.
2. Idem, blz. 173, nr. 2748. Register: Kerckelycke saken, no. 11d. Op blz.182, nr. 2785 (7 december 1578) wordt hij nog eenmaal door de stadssecretaris genoemd: “De advokaat van Middelburg te ’s Gravenhage vraagt aan den secretaris der stad, mr. Pieter van der Baerse, inlichtingen omtrent de procedure tegen Hans de Rijke”. Register: Kerckelycke saken , no. 11d.

Literatuur (onder andere):
– Hans de Ries (ed.) Historie der martelaren ofte waerachtighe getuyghen Jesu Christi, (Haarlem 1615); herzien en opnieuw uitgegeven onder auspiciën van verschillende doopsgezinde richtingen in 1617, 1626 en 1631. De heruitgaven bereikten hun hoogtepunt in Thieleman Jansz van Braght Het Bloedig tooneel of Martelaers Spiegel der doops-gesinde of weereloose Christenen, (Dordrecht 1660, 2de druk Amsterdam 1685 met prenten van Jan Luyken; hiervan een facsimile reprint te Haarlem 1984),
– J.H. Hessels ed., Ecclesiae Londino-Batavae Archivum. Epistulae et Tractatus cum Reformationis tum Ecclesiae Londino-Batavae Historiam illustrantes, (Cambridge 1897), delen II, blz. 517-519 en verder blz. 528-530 d.d. 23 oktober 1575 en III-1 blz. 331-332 d.d. 4 november 1575,
– F. Nagtglas, De kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Middelburg, tegenover de Doopsgezinden, , Voetwasschers en Martinisten van 1574-1608, in: Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwesch-Vlaanderen, verzameld door H.Q. Janssen en J.H. van Dale, VI (1863),
– Cornelis Pieter Bruinvis (Alkmaar 1799-1873) in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden, 10 delen 1911-1937, deel 2, kolommen 1209-1211,
– Abr. Mulder, De oudste bewaard gebleven brieven van onze Middelburgse gemeente, in: Doopsgezind Jaarboekje voor 1930, 29ste jaargang, Assen 1929,
– G. Marneff, De gereformeerde wortels van twee Waterlandse leiders; Hans de Ries en Albrecht Verspeck, in: Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks 21, (Amsterdam 1995), blz. 9-20,
– Anton van der Lem, Willem van Oranje en de doopsgezinden. Een veronachtzaamd rekest uit 1566, in: Doopsgezinde bijdragen, Nieuwe reeks nr. 42, Amsterdam 2016, blz.49-82,
– dezelfde, De Opstand in de Nederlanden 1568-1648, De Tachtigjarige Oorlog in woord en Beeld, 2e druk, Nijmegen 2018.

Rijksmuseum Amsterdam, nr. RP-p-1920-775x
Gravure 193×127 mm
URL: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.103230

Hans de Ries op 66-jarige leeftijd; gravure van de hand van Willem Jacobsz. Delff (1580-1639) korte tijd later werd gestoken naar een nu verlorengegaan geschilderd portret uit 1619/1620 door diens schoonvader, de bekende portretschilder Michiel Jansz. van Mierevelt (Delft 1566-1641). Onderaan voorzien van een lofdicht – in plechtige alexandrijnen – van Joost van den Vondel (1587-1679) die tot zijn overgang kort na 1641 naar de rooms-katholieke kerk. lid was van de Waterlands-doopsgezinde gemeente te Amsterdam.
[In gemoderniseerde spelling en interpunctie]:

Van ’t wezen lering straalt: alleen ontbreekt er ’t leven
van hem die God ons als een kleinood heeft gegeven:
Die van der wiegen tot zijn grijzen ouderdom
de bouw betrachtte van ’t bouwvallig Christendom:
Die storm op storm versmade en uitstaande als een sterke
verstrekt een heilzaam zout en licht in Christus Kerke

Jaap W. Zondervan april/mei 2020.